Bij het woord ‘amateur’ denken de meeste mensen aan geklungel, gestuntel, of spek en bonen. Amateurs klooien maar wat aan; ze tellen niet serieus mee. Maar daar klopt niks van. ‘Amateur’ betekent in werkelijkheid ‘liefhebber’; het woord ‘amor’ zit erin verstopt. En als je iets met liefde en plezier doet, word je er meestal ook goed in.

Niet zo gek dus dat amateursterrenkundigen soms belangrijke ontdekkingen doen. Onlangs was het weer raak. Japanse wetenschappers ontdekten een ijle dampkring rond een bevroren mini-planeetje in de buitendelen van het zonnestelsel. En daarbij maakten ze dankbaar gebruik van waarnemingen van amateurastronoom Katsumasa Hosoi. Zijn naam prijkte op 4 mei zelfs op de auteurslijst van het artikel in vakblad Nature Astronomy.

Uniek is het niet. Sterrenkunde-amateurs ontdekten eerder al nieuwe kometen, planetoïden, supernova-explosies en kosmische inslagen op de reuzenplaneet Jupiter. Wat wil je: het aantal hobby-astronomen is enorm veel groter dan het aantal beroepssterrenkundigen; ze beschikken vaak over semiprofessionele apparatuur, en ze offeren al hun vrije tijd met plezier op aan het bestuderen van het heelal.

Sterker: professionele astronomen roepen regelmatig heel bewust de hulp van liefhebbers in, bijvoorbeeld om enorme hoeveelheden foto’s en meetgegevens te analyseren. Via het platform Zooniverse werken tienduizenden amateurs mee aan het catalogiseren van verre sterrenstelsels, het opsporen van zwaartekrachtlenzen en exoplaneten, en zelfs aan het jagen op zwarte gaten. Allemaal vanuit huis, achter de eigen pc.

Vorige week, op de Nederlandse Astronomen Conferentie in Egmond aan Zee, presenteerde Katerina Pesini van de Radboud Universiteit nog een recent nieuw voorbeeld: dankzij de inzet van ‘burgerwetenschappers’ die metingen van de Europese Solar Orbiter bestuderen is er voor het eerst een catalogus gepubliceerd van maar liefst 16.000 radio-uitbarstingen van de zon.

Zelf raakte ik in het voorjaar van 1972 verslingerd aan de kosmos, en aangezien ik nooit een academische opleiding heb voltooid, ben ik altijd amateurastronoom gebleven. Revolutionaire wetenschappelijke ontdekkingen heb ik nooit gedaan, maar ik kan me heel goed voorstellen hoe trots Katsumasa Hosoi zich gevoeld moet hebben met de Nature Astronomy-publicatie.

Aan de andere kant: de charme van een hobby is nou juist dat er niets hoeft. Geen verwachtingen en verplichtingen, maar gewoon met iets bezig zijn omdat je er plezier aan beleeft. Dat blijft toch wel het mooiste van ‘amateurisme’. Het draait om de liefde; de rest is bijzaak.